Aan de ene kant van een bergpas draaien de ruitenwissers op volle toeren, terwijl ze in het volgende dal uit kunnen. Regenschaduw kan dat verschil verklaren. Achter een bergketen valt dan minder neerslag dan aan de kant waar de wind vandaan komt.

Wat gebeurt er op beide hellingen?

De loefzijde vangt de aanstromende lucht op. Als vochtige lucht tegen de berg op moet, zet ze uit en koelt ze af. Bij verzadiging ontstaan wolken en kan de neerslag toenemen. Aan de lijzijde kan de lucht dalen, samendrukken en opwarmen. De relatieve luchtvochtigheid neemt dan meestal af, waardoor bewolking kan oplossen. Aan de loefzijde kan bovendien al vocht als neerslag zijn gevallen.

Bekijk het weer aan beide kanten

Stel je een bergketen van noord naar zuid voor. Bij vochtige westenwind is de westhelling de loefzijde. Draait de stroming naar het oosten, dan wisselt de blootgestelde kant. In het bergachtige westen van het Verenigd Koninkrijk helpt de Atlantische aanvoer verklaren waarom daar gemiddeld meer regen valt dan in veel oostelijke gebieden.

Vergelijk voor een wandeling de verwachting voor het vertrekpunt, de kam en de eindbestemming. Kijk naar de windrichting op kamhoogte en naar het tijdstip waarop een front passeert. Neerslag kan over de kam heen trekken en aan de lijzijde kunnen buien ontstaan. Ook in een doorgaans droger dal kan het flink regenen.

Met Office: Foehn effect