Op een heldere avond kan een felle ster snel van helderheid veranderen en even rood, blauw of groen lijken. Een planeet in de buurt schijnt vaak veel rustiger. De ster zelf knippert niet: het effect ontstaat wanneer haar licht door de aardatmosfeer reist.

De atmosfeer is geen gelijkmatige lens

De lucht bestaat uit lagen en kleine cellen met verschillende temperaturen en dichtheden. Elke cel breekt het licht iets anders. Omdat die structuren bewegen en veranderen, verschuiven de schijnbare positie en helderheid van een ster vele malen per seconde. Onze ogen ervaren dat als fonkelen.

Dit hangt samen met wat astronomen seeing noemen: de scherpte en stabiliteit die de atmosfeer toelaat. Een wolkeloze nacht kan slechte seeing hebben bij turbulente lucht. Stabiele lucht helpt omgekeerd weinig wanneer bewolking, mist of heiigheid het zicht belemmert.

Waarom planeten minder fonkelen

Sterren staan zo ver weg dat ze voor het blote oog puntbronnen zijn. Een kleine afbuiging kan daardoor een groot deel van het zichtbare punt beïnvloeden. Planeten hebben, ook al lijken ze klein, een grotere schijnbare schijf. Hun licht volgt veel nabije paden door de lucht; de verstoringen middelen elkaar gedeeltelijk uit.

Het is geen absolute regel. Een planeet laag boven de horizon of gezien door zeer onrustige lucht kan ook fonkelen. Gebruik het verschijnsel dus als aanwijzing, niet als enige herkenningsmethode.

Waarom lage sterren sterker en kleurrijk fonkelen

Bij de horizon legt licht een langere weg door de atmosfeer af. Het ontmoet meer verschillen in temperatuur en dichtheid, plus vocht en aerosolen. Breking scheidt kleuren bovendien een beetje, waardoor een heldere ster korte gekleurde flitsen kan geven. Meestal neemt dat af wanneer het object hoger komt.

Seeing, transparantie en bewolking

  • Bewolking bepaalt of de hemel zichtbaar is.
  • Transparantie gaat over verzwakking door vocht, nevel, stof of vervuiling.
  • Seeing beschrijft de vervorming door turbulentie.

Voor zwakke sterren is transparantie belangrijk; voor details op maan en planeten telt stabiliteit zwaar. Controleer bewolking, zicht, luchtvochtigheid, wind en passerende fronten, maar verwacht geen garantie van één meetwaarde.

Beter waarnemen

Kies een donkere, veilige plek met vrij zicht. Kijk niet vlak over daken, asfalt of muren die overdag warmte hebben opgeslagen: lokale opstijgende lucht maakt het beeld onrustiger. Bekijk planeten liefst hoog aan de hemel, laat je ogen wennen aan het donker en dim het scherm.

Zet een kijker stabiel neer en laat een telescoop op buitentemperatuur komen. Verwar een fonkelende lage ster niet met een vliegtuig: vliegtuigen verplaatsen zich zichtbaar en hebben regelmatige navigatielichten.

De atmosfeer zichtbaar gemaakt

Fonkelen laat zien dat de atmosfeer als een bewegende lens werkt. Het voorspelt op zichzelf geen storm, maar toont wel dat de lucht tussen waarnemer en ster optisch niet gelijkmatig is. Vergelijk eens een lage ster, een hoge ster en een heldere planeet.