Een koude bui kan de grond bedekken met kleine witte korrels die bij het neerkomen opspringen. Ze lijken op hagel, maar vaak gaat het om korrelsneeuw, internationaal ook graupel of snow pellets genoemd. Wie het verschil kent, begrijpt beter uit welk type wolk de neerslag komt en welk gevaar er aan de grond ontstaat.
Hoe ontstaat graupel?
Graupel begint als een ijskristal of sneeuwvlok. Tijdens de val door de wolk botst het kristal op onderkoelde waterdruppeltjes: vloeibaar water met een temperatuur onder 0 °C. Die druppeltjes bevriezen vrijwel direct op het kristal. Dit proces heet aanvriezing of riming. De oorspronkelijke kristalvorm verdwijnt onder een laagje bevroren druppels, waardoor een ronde of kegelvormige, witte en ondoorzichtige korrel ontstaat.
Volgens de Internationale Wolkenatlas van de Wereld Meteorologische Organisatie zijn sneeuwkorrels meestal 2 tot 5 millimeter groot. Door luchtgaatjes zijn ze licht, bros en gemakkelijk fijn te drukken. Op een harde ondergrond kunnen ze stuiteren, maar vaak vallen ze daarbij uiteen. Ze komen doorgaans voor in korte buien uit stapelwolken of buienwolken, soms gemengd met sneeuwvlokken, bij temperaturen rond het vriespunt.
Het verschil met hagel
Niet alleen de afmeting, maar vooral de structuur helpt bij de herkenning. Graupel is matwit, licht en kruimelig. Hagel bestaat uit compacter ijs, kan doorzichtig of gelaagd zijn, klinkt harder bij de inslag en laat zich niet eenvoudig indrukken. De WMO hanteert doorgaans ongeveer 5 millimeter als ondergrens voor hagel, maar hardheid en uiterlijk blijven belangrijk rond die grens.
Hagel groeit in krachtige stijgstromen van een cumulonimbus. Het deeltje blijft langer in de wolk, vangt water op en kan ijslagen vormen voordat het te zwaar wordt. Grote hagel hoort daarom bij een onweersbui en kan schade veroorzaken. Een korte graupelbui betekent op zichzelf geen zwaar weer, maar kan wegen en fietspaden in korte tijd glad maken.
Niet hetzelfde als sneeuw of ijsbolletjes
- Sneeuw: bestaat uit vertakte kristallen of samengeklitte kristallen; vlokken zijn zacht en niet compact bolvormig.
- Korrelsneeuw of graupel: ontstaat wanneer onderkoelde druppels op een sneeuwkristal vastvriezen; wit, ondoorzichtig en gemakkelijk te verkruimelen.
- IJsbolletjes: ontstaan vaak wanneer sneeuw onderweg smelt en in een koudere luchtlaag opnieuw bevriest; ze zijn harder en vaker doorschijnend.
- Hagel: groeit in een onweerswolk door het verzamelen van water en ijs; harder en meestal groter.
Een veilige praktijktest
Kijk bij voorkeur vanuit beschutting. Kleine schuimwitte korrels die door een handschoen makkelijk fijn te drukken zijn en bij de landing breken, wijzen op graupel. Harde, luid tikkende en soms doorschijnende deeltjes passen beter bij hagel of ijsbolletjes. Na de bui kan een foto naast een liniaal het formaat vastleggen zonder dat je tijdens onweer naar buiten hoeft.
Wat te doen bij een laagje korrelsneeuw
Ook zachte sneeuwkorrels verminderen de grip op asfalt, stoepen en hellingen. Verlaag de snelheid, houd meer afstand en rem of stuur niet abrupt. In de bergen kan graupel bovendien een zwakke laag onder latere sneeuw vormen. Baseer beslissingen over routes en lawinegevaar daarom op het officiële lokale lawinebericht.
Combineer de aanwijzingen: witte, broze korrels tijdens een koude bui duiden op graupel; hard ijs tijdens onweer duidt op hagel. De juiste reactie op gladheid of een naderende onweersbui is uiteindelijk belangrijker dan de naam.
