Twee plaatsen aan weerszijden van een bergketen kunnen totaal ander weer hebben. Op de ene helling regent het urenlang, terwijl aan de andere kant opklaringen voorkomen of nauwelijks regen valt. Een belangrijke oorzaak is stuwingsregen: het reliëf dwingt vochtige lucht omhoog, waardoor wolken en neerslag worden versterkt. De andere zijde kan in een regenschaduw liggen.
Wat gebeurt aan de loefzijde?
De loefzijde ligt naar de aanstromende lucht gericht. Lucht kan niet door een berg heen en wordt, als zij niet volledig om het massief stroomt, langs de helling omhoog gedwongen. Op hoogte is de druk lager. De lucht zet uit en koelt af. Bevat zij genoeg waterdamp, dan raakt zij verzadigd; damp condenseert tot druppels of ijskristallen en er ontstaat bewolking.
De stijging maakt geen vocht. Zij zet een deel van het aanwezige water om in wolken en neerslag. Vochtige zeelucht geeft daarom vaak een duidelijker effect dan droge lucht. Het Met Office beschrijft stuwingsregen als gedwongen stijging, afkoeling, condensatie en uiteindelijk neerslag.
Waarom droogt de lucht aan de lijzijde?
Na de bergkam daalt een deel van de lucht langs de lijzijde. De druk neemt toe, de lucht wordt samengedrukt en warmt op. Daardoor daalt de relatieve vochtigheid en kunnen wolken dunner worden of oplossen. Bovendien is aan de loefzijde al vocht als regen of sneeuw verdwenen.
Zo kan achter de bergen een relatief droge zone ontstaan: de regenschaduw. De grens is niet scherp en ligt niet altijd op dezelfde plaats. Richting en snelheid van de wind, de dikte van de vochtige laag en de opbouw van de atmosfeer bepalen het patroon.
Niet elke situatie is hetzelfde
- Windrichting: bij een draaiende stroming wisselen loef- en lijzijde.
- Vocht: maritieme lucht bevat doorgaans meer beschikbaar water.
- Hoogte en breedte: bepalen hoeveel en hoelang de lucht stijgt.
- Stabiliteit: beïnvloedt of wolken ondiep blijven of dieper doorgroeien.
- Temperatuur en vorstgrens: bepalen mede regen, sneeuw of gemengde neerslag.
- Fronten en buien: kunnen het orografische aandeel versterken of verbergen.
Warme, droge lijzijdecondities kunnen bij föhn horen, maar niet elke regenschaduw is een sterke föhnsituatie. Neerslagverlies, dalende opwarming, menging en zonnestraling kunnen in verschillende verhoudingen meewerken.
Herkennen op kaarten en in verwachtingen
Bepaal eerst welke stroming de bergketen bereikt. De wind op wolkenniveau kan verschillen van de wind in een beschutte vallei. Vergelijk daarna de neerslagkaart met het reliëf. Een aanhoudende regenzone op de blootgestelde helling en duidelijk lagere hoeveelheden achter de kam vormen een typisch patroon.
Radar toont actuele neerslag, maar bergen kunnen de bundel blokkeren of de dekking onregelmatig maken. Modellen maken het reliëf gladder naarmate de resolutie grover is. Combineer neerslag, wind, bewolking en officiële waarschuwingen en zie één modelvak niet als een exacte grens.
Betekenis voor een bergtocht
Een tocht die droog begint in een lijvallei kan nabij de kam in lage bewolking, aanhoudende regen en hardere wind terechtkomen. Zicht en gevoelstemperatuur dalen, paden worden glad en beken kunnen stijgen. De verwachting voor het vertrekdorp beschrijft niet altijd de pas of de overzijde.
- Controleer verwachtingen op meerdere hoogtes en aan beide kanten.
- Bekijk wind, neerslag, zicht, temperatuur en waarschuwingen.
- Neem waterdichte kleding mee, ook bij zon in de vertrekvallei.
- Beschouw een regenschaduw nooit als garantie op droog weer.
De kern
Bergen veranderen de verticale beweging van lucht. Aan de loefzijde bevordert stijging afkoeling, wolken en neerslag; aan de lijzijde bevordert daling opwarming en uitdroging. Het verklaart lokale contrasten, maar moet altijd samen met luchtstroming, vocht en de volledige weersituatie worden gelezen.
Technische bronnen: uitleg van het Met Office over stuwingsregen en over het föhneffect en regenschaduw.
